Productiehuis Brabant vroeg voor Huisvlijt#15 - De complete Collectie haar makers om verzamelingen die direct of indirect met hun werk te maken hebben.
In het voortraject van Pee, mijn nieuwe toneeltekst voor het Productiehuis, ging ik op bezoek bij mijn Brabantse familie. Ik ging in gesprek met neven en nichten en ooms en tantes en verzamelde hun kijk op zichzelf en het gezin. Enkele uitspraken hing ik vervolgens aan de muur op mijn schrijfkantoor. Deze verzameling was inspiratie en directe aanleiding voor mijn nieuwe toneeltekt Pee.
Die twee deden zo hun best, van 'zie mij, zie mij, zie mij,' en hoe meer ze hun best deden, hoe meer ons moeder er langs af keek.
Ik ben een buitenstaander, ik heb er voor gekozen om er buiten te staan.
Het is net alsof ik zo in elkaar steek, dat ik eerder iets voor een ander doe dan voor mezelf en dat is, ja, zo steek ik in elkaar.
Ik weet niet hoe het met jouw relatie is, maar je hebt natuurlijk altijd wel eens wat en in het begin dan doe je je best om dat uit te knokken en op den duur denk je 'laat maar, het is zo,' doe maar geen moeite meer.
Ik ben hier altijd heel precies, ruim ik altijd op en als ik dan thuis kom is het net alsof alle energie weg is en dan is het ook (dan hoeft het even niet meer?) éven niet. Nee.
Fatsoen, daar pas niet in dat je dingen doet die niet passen.
Dan krijg je zo'n leven, zo'n leven waarvan je denkt, Jezus, die mensen hebben echt helemaal niks bij elkaar te zoeken, maar ze hebben samen kinderen dus dat moet door en dan hebben ze op een gegeven moment kleinkinderen en dan zie je ze een beetje ontdooien en dan kunnen ze bijna naast elkaar gaan staan zonder het gevoel te hebben van wat doet dat mens hier in mijn leven.
Het is wel zo, en dat staat vast, als je iets wil bewijzen dan ben je verloren.
Tegen die vertel ik wel dingen en tegen die vertel ik hoe mijn dag is geweest en verder eh, doei; met jou heb ik niks.
Zo veel dingen, er komen zo veel dingen op je af, wat dan op een gegeven moment net tot aan hier staat en er moet niet heel veel meer bij komen want anders dan gaat het wel een keer fout.
Hoofdmenu

Anna van der Kruis verzamelt
Arno Schuitemaker verzamelt
Productiehuis Brabant vroeg voor Huisvlijt#15 - De complete Collectie haar makers om verzamelingen die direct of indirect met hun werk te maken hebben.
Met dans als passie en als medium, is de wereld grenzeloos en mag ik vaak op reis. Hierbij een stapeltje boardingpassen, de verzameling van een zomer.
Mexico – Prisma Forum en repetities voor R-ated
10/07/09 Amsterdam - Mexico City 25/07/09 Guadalajara - Mexico City 25/07/09 Mexico City - Huatulco 29/07/09 Huatulco – Mexico City 30/07/09 Mexico City - Amsterdam
Samen met danskunstenaars uit 44 landen was ik aanwezig tijdens het Prisma Forum in Mexico City om een presentatie te geven over het project R-ated waar ik op dat moment aan werkte. Na Prisma verbleef ik in Mexico voor repetities van R-ated in het Centro Nacional de las Artes – en heb ik een paar dagen wat van het land gezien.
Ierland – Repetities voor R-ated en Dublin Fringe Festival
07/08/09 Amsterdam - Dublin 16/08/09 Cork - Amsterdam 30/08/09 Amsterdam - Dublin
06/09/09 Dublin - London 10/09/09 London - Dublin 14/09/09 Dublin - Amsterdam
In augustus en september was ik een aantal keren in Ierland voor repetities van R-ated. Deze voorstelling ging op 11 september tijdens het Dublin Fringe Festival in première. Met een sterk fysieke bewegingstaal wordt in deze choreografie de relatie tussen geweld en entertainment onder de loep genomen, zonder daarbij het respect voor en de kwetsbaarheid van het lichaam te verliezen.
Italië – Choreoroam en Festival Operaestate
17/08/09 Amsterdam - Venetië 29/08/09 Venetië – Amsterdam
Twaalf dagen was ik in Bassano del Grappa in residentie, als onderdeel van het project Choreoroam. Ik gebruikte mijn tijd om onderzoek naar nieuw materiaal te doen en voorstellingen van het festival Operaestate te bezoeken. Dansateliers Rotterdam droeg mij voor als deelnemer voor dit internationale uitwisselingsproject, waarbij - in de loop van acht maanden - danskunstenaars op verschillende plaatsen bijeen komen om aankomende talenten door middel van dialoog en interactie te stimuleren tijdens workshops, seminars en residenties. De 12 deelnemende choreografen komen uit Kroatië, Italië, Engeland, Denemarken, Spanje en Nederland.
Braspenning-antwoorden op Jambers-achtige vragen
Over Leen Braspennings werkwijze valt niet te twisten. Vindt zij een onderwerp fascinerend, dan belicht ze dat vanuit alle denkbare invalshoeken. De kwetsbaarheid van mensen (aan de zelfkant) vormt de rode draad binnen haar fotografie. Door deze mensen vast te leggen op beeld laat ze hun broosheid zien en geeft ze de toeschouwer tegelijkertijd een kijkje in haar zienswijze. Zo verzamelt ze beelden van personen die in eerste instantie allemaal hetzelfde lijken, maar als je beter kijkt allemaal uniek zijn.
Tekst: Fiona Reinaerts & Dirk Verhoeven
De groep en de ziel
"Wat ik probeer vast te leggen met mijn fotografie zijn de mensen, absoluut. De ziel van de mens. Ik kader een bepaalde doelgroep af. Jongeren in een discotheek bijvoorbeeld. Je hebt een bepaald beeld en dan ga je ze allemaal fotograferen en dan vind je hun kwetsbaarheid. Kwetsbaarheid vind ik wel schoon. Zodra je mensen bewust maakt van de camera geeft dat een ongemak, zonder dat dat overdreven moet zijn. De afstand tussen de kijker en de persoon, zonder dat het geposeerd is. Wat ik wil laten zien is dat mensen een groep lijken, maar binnen die groep unieke personen zijn. Vaak kies ik voor een groep waarmee ik minder verbonden ben. Ik heb zelf bijvoorbeeld weinig contact met Surinaamse vaders, die ik heb gefotografeerd in de Bijlmer. Ik heb een beeld dat gevormd is door de media. Beeld is een beter woord dan vooroordeel. Het zijn bewuste clichés. Mijn nieuwsgierigheid blijft de grootste drijfveer. 'Wie zijn ze, wat doen ze?'. Dat blijven Jambers-achtige vragen.
Beeld versus vooroordeel
Ik speel niet bewust met vooroordelen. Wij groeperen om iets behapbaar te maken, dat is niet per definitie negatief. Daarom is beeld een beter woord dan vooroordeel. De reactie op het zien van de foto's is dubbel. Ze raken aan de verscheidenheid van de doelgroep: het besef dat iedereen anders en uniek is, maar tegelijkertijd ook allemaal hetzelfde. Die tegenstrijdigheden heffen elkaar op. Ik speel daar niet bewust mee, maar mijn series gaan daar wel over. Wat ik belangrijk vind en waar ik bewust in kies is WAAR dat je mensen fotografeert. Dat het op een plek gebeurt die bij hun hoort of dat de locatie mijn keuze is, dat dat mijn reflectie is."
Voor haar nieuwste theaterproject ROUW belandde Leen in Polen om daar antwoord te krijgen op belangrijke vragen over het rouwproces. "Rouw staat bij ons bekend als verdrietig, eenzaam. Dat is het deels ook, maar er komt meer bij kijken. Mijn eigen ervaring is dat rouw veel meer is dan mensen van je verwachten. Enorm intens. Het is naast verdriet ook positieve dingen voelen, veel leven. Hebben andere mensen dat ook?
Dit onderzoek naar rouw is gestart met mensen die troost vinden in religie, specifiek het katholieke geloof. Zo belandde ik met een filmcamera en theaterschrijfster Annemarie Slotboom in Polen. In een centrum waar veel oudere mensen komen. Veel mensen wilden wel in het centrum gefilmd worden, maar niet thuis. Ze hadden gebeden tot de overledenen of ze op beeld gezet mochten worden. Vooral de mannen vragen dat aan hun overleden vrouw. Vier oudere mensen die ik daar heb gefilmd, heb ik allemaal in dezelfde stoel gefotografeerd. Die stoel was dan het ijkpunt.
Het is de eerste keer dat ik langzaam vanuit het verzamelde materiaal ga vertrekken. Hoe werk ik met bewegend beeld en hou ik toch de soberheid die de foto heeft? Dat staat centraal in de keuzes die ik maak. Annemarie gaf er inhoudelijk een richting aan, maar de mensen daar hadden zelf zo enorm een eigen verhaal dat we maar een beetje wilden sturen in de interviews. Ik wil de verschillende manieren van het aangaan van het rouwproces laten zien, maar ook dáárin het universele. Je ontdekt zoveel nuances. Het verschil tussen dertigers hier die nog verder moeten met het leven tegenover zestigers in Polen die nog een restje leven hebben te gaan is groot. Bij oudere mensen is het verdriet lastiger te dragen, omdat ze moeilijk nog bij het leven aanhaken. Ik wil het verschil tussen jong en oud in verhouding weergeven. Ik wil daarnaast ruimte creëren voor het aanvaarden van rouw. Rouw: het is er, ontken dat gewoonweg niet.
‘Allemaal arme mensen’
Ik kader de realiteit af. Door afkadering en selectie maak ik een eigen werk. Ik selecteer op intuïtie. Van de 60 foto's die gemaakt zijn, kies ik er ongeveer vijftien uit. De eerste selectie gebeurt op mensen die eigenheid tonen, die zich durven laten zien. Ik vorm dat niet om naar mijn eigen beeld. Ik wil de nuance tonen. Het beeld dat wij van een groep hebben oprekken. Ik weet dat mijn foto's kunnen aanspreken. Het heeft ermee te maken dat je er naar kan blijven kijken. Elke keer als je kijkt, ontdek je iets nieuws. In het begin denk je 'o die staan er allemaal serieus op' of 'wow, dat zijn allemaal arme mensen'. Daarna begin je afzonderlijk de beelden te zien en te vergelijken. Dan krijg je als kijker het gevoel dat we allemaal niet zoveel verschillen van elkaar."
Dit artikel verscheen eerder in Huisvlijt#19 - Kijken naar beeld.
Een avond in goed gezelschap
Vier monologen van Laura Ruohonen
Vertaling: Adriaan van der Hoeven
Kerstdag
Peettante:
Domdomdom. Wat ik me weer in mijn hoofd heb gehaald. Ai!
Het is vast een heel slecht cadeau. Maar ik wilde Leena nou eenmaal iets geven. Ze is hoe dan ook mijn petekind.
Ze heeft me telefonisch hartelijk bedankt voor die blouse, dat wel, maar het was net of er een vreemde klank in haar stem lag. Was ze wel oprecht? Waarom bedankte ze me zo nadrukkelijk?
Dit is bovendien de eerste keer dat ze me uitgenodigd heeft voor kerst. Daar moet toch een reden voor zijn. Misschien denken ze wel dat ik het cadeau daarom heb gegeven, dat ze me zouden uitnodigen. Ze hebben medelijden met me.
Als ik nu eens bel dat ik bezoek krijg, dat ik niet kan komen. Hoe laat is het? Ja, ik kan nog bellen. Zal ik bellen? Het is wel niet beleefd. Wat vreselijk lastig als je niet weet wat je moet doen. Ze hebben me zelf pas vanochtend uitgenodigd, ook niet echt beleefd. Iemand anders kon natuurlijk niet komen, ze hadden nog een plaats over aan tafel. Zal ik bellen? Ze weten vast wel dat ik geen bezoek krijg. Maar ik vind het juist leuk om hier in mijn eentje te zitten. Rustig een kaarsje te branden.
Er komen toch allemaal gasten en familieleden die ik helemaal niet ken. Zetten ze me ergens aan een hoekje van de tafel. Hoe moet ik reageren als Leena me voor die blouse bedankt? Ik zeg meteen, hier heb je de bon, als je hem wilt ruilen… maar dan denken ze dat ik er met opzet zo’n nummer van maak. Van mijn eigen cadeau. Ik weet toch niet wat er op dit moment in de mode is. Leena brengt het vast meteen naar de kringloopwinkel. Ze doet maar. Wat maakt het uit. Ik zal er helemaal niet naar vragen, naar die hele blouse.
Nee! Eeva en Hannu zullen nu wel denken dat ik kritiek heb op hun smaak. Dat ik vind dat Leena en de andere kinderen slecht gekleed gaan. Dat was niet mijn bedoeling. Die blouse was gewoon leuk van kleur en er zaten zoveel knoopjes aan dat ik er meteen weg van was. Bovendien hebben ze mij ook een cadeautje gestuurd. Bloemen. Ik had ze een goedkoper cadeau moeten geven, dat had ik moeten begrijpen, het heeft ze geïrriteerd dat hun cadeau goedkoper was dan het mijne. Het was ook behoorlijk duur. Ik kan wel zeggen dat het goedkoper was. Nee, ik zeg er niets over. Anders denken ze nog dat ik per ongeluk zo’n dure blouse heb gekocht. Dat ik weer eens iets doms gedaan heb. En nog wel met kerst!
Hoe laat is het? Het is wel wat onnozel als ik nu nog afbel. Terwijl ze al bezig zijn met de voorbereidingen voor het eten. Ja. Ik eet trouwens niet veel, dat ik ze niet op die manier tot last ben. En ik voer ook niet het hoogste woord, dat ik voortdurend de aandacht trek. Bovendien als ik er vroeg heenga, kan ik ook op tijd weer weg.
Nou ja, misschien ga ik dan toch maar. Maar als er zulke mensen zijn dan zeg ik geen woord. Dan luister ik gewoon.
--
Kerstpost
Marja zit thuis op een stoel in de gang. Ze woont in een oude flat zonder lift in de wijk Kallio.
Marja: In één opzicht ben ik een beetje gek. Ik vind het heerlijk om post te krijgen. Ik wacht echt op het klepperen van de brievenbus en dan loop ik de gang in om te kijken wat er gekomen is. Soms zit ik er al te wachten.
Ik heb al twee jaar geen krant meer. Mijn dochter had vroeger een abonnement voor me, maar ze zei dat het nu niet veel zin meer heeft omdat ik zo slecht zie. Dat het weggegooid geld is. Van mij had de krant nog wel bezorgd mogen worden, ik nam hem altijd heel nauwkeurig door met een vergrootglas, maar ja, hij is zo vreselijk duur. Vijf mark per dag, stel je voor. Vijf mark! Daar kun je een liter melk voor kopen! Vroeger kon je altijd nog wel op straat een krant kopen bij een krantenjongen.
Ik vond het echt een verschrikkelijke gedachte dat Sirkka jarenlang voor een domme gans als ik zoveel geld aan die krant heeft uitgegeven. Ik probeerde haar terug te betalen, zette mijn servies te koop, maar daar kreeg ik niet meer dan tweehonderd voor. Simo Ervasti, de zoon van een vriend van me, is zakenman, en hij beloofde het voor mij te verkopen, kwam het hier helemaal ophalen, zodat ik het huis niet uit hoefde. Ik hoefde het alleen maar goed in te pakken, zei hij.
Hij kocht ook nog de klok van mijn moeder die op dat kleine tafeltje stond, die wilde ik eigenlijk niet kwijt, maar ik durfde niet te weigeren nu Simo de moeite had genomen helemaal hiernaartoe te komen.
Sirkka was kwaad op me toen ze ontdekte dat ze in de antiekwinkel voor dezelfde borden tweehonderd per stuk vroegen en ik onnozele hals alle twaalf samen voor die prijs had verkocht. Hoe had ik dat kunnen weten. Simo zal het ook wel niet hebben geweten, en bovendien had ik zo’n bedrag niet aan de zoon van een vriend durven vragen, al had die het aangeboden. Wat heeft het voor zin daar nog over te prakkeseren.
Sirkka zou die borden meegenomen hebben naar Spanje. Ze woont in Spanje en heeft het daar erg naar haar zin, komt waarschijnlijk zelfs niet met kerst thuis. Heerlijke plek, als ik op de foto’s afga. Twee badkamers.
De brievenbus kleppert. De postbode. Toch raar dat ik, hoewel ik zo slecht zie, heel duidelijk de brievenbus hoor, zelfs al heb ik de kraan open staan. Zo’n ouwe vos ben ik geworden. Als de telefoon gaat duurt het heel lang eer ik het merk, maar ik word al wakker als de brievenbus van de buren kleppert! Mijn eigen brievenbus kleppert om deze tijd nog niet. Ik krijg geen post met de gewone post. Van de gewone postbode dus. Mevrouw Lehtimäki wel. Het was haar brievenbus die zo leuk klepperde. Ik begrijp niet waarom zij zoveel post krijgt, bijna elke dag wel iets, af en toe heel dikke stukken, de postbode kan ze soms maar met pijn en moeite door de bus krijgen. Dit is een oud huis met van die nauwe ouderwetse brievenbussen. Dan hoor je de klep heen en weer gaan en de postbode zuchtend en steunend de stukken naar binnen duwen. Een keer hoorde ik hem heel duidelijk hardop “verdomme” zeggen. Helaas zei hij dat.
Het lag me op de lippen te zeggen beste man duw niet zo hard, straks gaat het pakket nog kapot, maar ik zei natuurlijk niets.
Daarna hoorde ik een dik pak bij Lehtimäki in de gang vallen. Wat zou het geweest zijn, misschien een buitenlandse krant met allerlei bijlagen, daar kunnen ook cadeautjes bij zitten, een vriendin van me had indertijd een abonnement op een Italiaanse krant en daar zaten vaak geschenken bij, of die hadden erbij moeten zitten, maar die verdwenen bij de post, de Italiaanse of de Finse, hoogstwaarschijnlijk de Italiaanse. Het kan ook zijn dat mevrouw Lehtimäki monsters krijgt van producten, misschien heeft ze wel een bedrijfje en krijgt ze monsters van stoffen of tapijten thuis, of waarom zou ze die anders thuisgestuurd krijgen, ze is vast en zeker lid of zelfs secretaris of voorzitter van een of andere vereniging, dat ze zoveel post krijgt. Ze is vaak weg, ’s nachts niet natuurlijk, maar ’s avonds is ze vaak niet thuis, drie van de vier avonden komt ze pas rond halfnegen thuis.
Denk nu niet dat ik kritiek heb op mevrouw Lehtimäki of dat ik haar doen en laten volg, maar dit zijn gewoon dingen die ik heb opgemerkt sinds mijn gehoor zo scherp is geworden of misschien doordat het hier zo stil is. Mijn radio is ook stukgegaan, ik weet niet hoe het kwam, maar hij gaf geen geluid meer. Ik dacht eerst dat de batterijen op waren en ging nieuwe kopen. Zes stuks maar liefst. Ik begrijp niet waarom die batterijen zo duur zijn.
Ik had in die winkel ook brood en melk in mijn mandje gedaan en ik had niet genoeg geld. Het was heel naar toen dat kassameisje hardop zei dat de mensen eerst in hun portemonnee moeten kijken voordat ze boodschappen gaan doen. Ze moest een nieuwe kassabon maken en de bedrijfsleider kwam erbij en het was zo gênant dat de andere klanten om mij moesten wachten.
Gewoon omdat ik me niet kon voorstellen dat die 6,15 op de verpakking niet voor het hele pakket, maar voor maar één batterij gold. Ach ach, het was zo naar, ach ach (wordt boos) Die hele radio kan me gestolen worden, ik wil er niet meer aan denken!
Ik heb toen geen brood en melk gekocht en het stomste was nog dat die batterijen geeneens werkten. Dan had ik liever wat brood gegeten.
Nu hoor ik iets, nee, het is een buurman, toch, die de deur opendoet, ja dat hoor je hier in de gang heel goed, al is het op een andere etage. Daar vergis ik me zelden in. De postbodes hier rennen zo behendig de trappen op en af, dat je er vrolijk van wordt als je hun voetstappen in het trappenhuis hoort. Taptaptap. Zulke lichte, montere, vrolijke voetstappen. Ik bewonder ze echt, ze zijn zo energiek. Zelf ben ik een stuntel, afschuwelijk dat ik mijn voeten niet meer kan optillen en als een zwerver over de vloer schuifel. Maar goed dat niemand het ziet.
Hier in de gang ligt een hele stapel post met van alles en nog wat. Ik heb het met een touwtje bij elkaar gebonden, want Maija dreigde alles weg te gooien. Mijn post! Daar komt niets van in! Er zit van allerlei oud spul bij, maar wat geeft dat, het is leuk en kleurrijk en allemaal aan mij persoonlijk gericht. Dat zal ik me niet laten afpakken. Gelukkig heeft die verzorgster Maija niet vaak tijd om hier te komen, dreigt er wel mee, maar vergeet het net zo snel weer. Als het moet laat ik me op de grond vallen en als ze het waagt om aan mijn post te zitten simuleer ik een hartaanval.
Allemachtig! Het is zo fijn om iets van jezelf in huis te hebben om te lezen. Jammer dat ze niet meer zoveel kleur gebruiken als een paar jaar geleden. Er is veel nogal wat grijzer geworden en zwart wit. De schatkist van dit land raakt zeker langzamerhand leeg. Ik heb nog wel gegeven voor al die collectes en ook aan de inzamelingsactie voor Matti Nykänen, voordat hij aan de drank raakte, maar ik ben niet van plan iemands drankgebruik financieel te ondersteunen.
Maar het zou leuk zijn als ze ten minste met kerst rode en groene kleuren zouden gebruiken, dat geeft je zo’n kerstgevoel als je die plaatjes bekijkt met kinderen die pakjes openmaken en de kerstboom is zo mooi versierd en vader en moeder zitten eromheen en ze kijken elkaar in de ogen en ze lijken allemaal zo vrolijk en vriendelijk. Het is zo gezellig dat de tranen me van pure vreugde in de ogen springen. Wat een prachtige dingen geven ze elkaar, een verlichte wereldbol, een computerspel, en grote waardevolle boeken, mobieltjes en rekenmachines. Ik begrijp niks van die apparaten. Maar het is leuk om naar te kijken. Prachtige dingen maken ze tegenwoordig en de folders worden op mooi papier gedrukt. Ik mag wel dankbaar zijn, dat ze mij nog niet vergeten zijn, al koop ik nooit wat. Het is hartverwarmend om te zien dat mijn eigen naam op de envelop staat. “Beste Marja!” Of soms “Geachte mevrouw Nysten”. Mij is het allemaal best. Het is zo belangrijk dat ze ook aandacht schenken aan een alleenstaande, dat ze die niet vergeten. Dat brengt als het ware meer kleur in het leven. Dat iemand nog aan je denkt.
--
Een avond in goed gezelschap
Mari: Meer dan door wat ook wordt de mens gevormd door het gezelschap waarin hij verkeert. Wie met vervelende mensen omgaat wordt zelf vervelend. Daarom breng ik mijn tijd het liefst met mezelf door. Geen nodeloze ruzies, geen benauwende geschillen, geen gekissebis over pietluttigheden. Ik heb het echt geweldig met mezelf.
Gisteren bijvoorbeeld toen ik vermoeid van mijn werk thuiskwam, stond er een bericht op mijn antwoordapparaat, waarin ik mezelf uitnodigde om met mij naar de film te gaan. Ik verheugde me er enorm op. Ik trok mijn blauwe kashmirjurk aan met de gespikkelde zijden shawl en toen ik in de spiegel keek zag ik er helemaal uit als iemand om gezellig een avondje mee uit te gaan.
Eerst nam ik mezelf mee naar de film en trakteerde ik op popcorn en dropjes. De film riep jammer genoeg erg tegenstrijdige gevoelens op – ik kon niet besluiten of het om een meesterwerk ging of om een pseudo-intellectuele flutfilm -, maar ik liet dit vervelende conflict mijn zo goed begonnen avond niet bederven. Ik nam mezelf voor een goed glas wijn mee naar een stijlvolle bar van een restaurant.
Ik maakte een paar grapjes, en de stemming steeg toen ik beloofde mezelf te trakteren op een diner in een gourmet restaurant. Ik vermoedde dat het wel wat zou gaan kosten, maar je leeft maar één keer en ik was hier tenslotte de gastvrouw.
Eerst besloot ik me te beperken tot vis en groente, maar toen liet ik me gaan en bestelde ik nog coeur de filet en een fles champagne. Dit verhoogde de stemming zeer en ik voelde dat ik nu onvermijdelijk enkele woorden moest spreken.
Ik hief het glas en wees erop dat lekker eten en een goed glas wijn in goed gezelschap uiteindelijk één van de belangrijkste dingen in het leven zijn. En tot slot van mijn toespraak citeerde ik zoals gewoonlijk een verhaal van E.A. Poe over een aardige, arme duif. De stemming zat er zo goed in, dat gasten aan andere tafels met jaloerse blik naar ons keken.
De tijd vliegt in vrolijk gezelschap en pas tegen sluitingstijd bood ik aan mezelf naar huis te brengen.
Bij de voordeur raakte ik door de warme nacht en de volle maan in een romantische stemming en nodigde ik me uit voor een slaapmutsje. Ik zette sfeermuziek op, dimde het licht en schonk mezelf zo’n goede droge martini in als me nog nooit was voorgezet.
Om een uur of drie betrapte ik mezelf erop dat ik een blik in de slaapkamer wierp. Voordat ik wist wat er gebeurde lag ik al in bed en drong het vagelijk tot me door dat er nu geen weg meer terug was. Eerlijk gezegd was dit vanaf het begin van de avond mijn bedoeling geweest.
Gelukkig kan ik er zeker van zijn dat de praatjes binnenskamers blijven.
--
Te oud
Meri: Op zijn zesde bouwde Ludwig Wittgenstein een stoommachine. Mozart was op die leeftijd volop aan het componeren. Anderzijds, al huilde Julius Caesar altijd van ergernis als hij bedacht hoeveel jonger Alexander de Grote was toen hij zijn heldendaden verrichtte, het maakte niemand anders wat uit. Ze waren allebei keizer. Bovendien zijn er schrijvers die op hun vijftigste debuteerden. Daar zit het niet altijd op vast.
Simone de Beauvoir verkondigde op haar dertigste dat een vrouw moet "afzien van bepaalde liefde” als ze de veertig is gepasseerd. Veertigers zouden geen bikini’s meer moeten dragen, zich niet moeten blonderen en niet met mannen moeten flirten. Toen ze vierenveertig was begon ze een hartstochtelijke liefdesrelatie met een vijfentwintigjarige man die zeven jaar duurde. Moest haar woorden herroepen. Zo kan het ook gaan. Bovendien gaat het hier om iets heel anders.
Ik hoef alleen maar in de bus te stappen. Te gaan zitten. Bagage in het rek te zetten. Nee, eerst de bagage in het rek zetten en dan gaan zitten! Dan kijken wie er zijn. Of er bekenden zijn. Wat maakt het uit. Een mens mag doen wat hij wil.
Toen ik tien jaar was en met de groten naar het pretpark ging, durfde ik niet naar de speeltoestellen te gaan, omdat ik al zo oud was. Ik kan me er nog steeds over opwinden. Was ik maar gegaan. En later ben ik niet naar de komeet gaan kijken, omdat ik dacht dat ik die nog wel eens zou zien. De volgende komt misschien over honderd jaar.
Vervelend dat je het aan niemand kunt vragen. Het zou aardig duur en lastig worden, maar als ik nu niet ga, zou me dat dan ook dwars zitten? Wie kan zeggen of ik er te oud voor ben? Als ik nu toch die pratende gorilla zou kunnen zien. Ik heb er mijn hele leven over gefantaseerd dat zoiets mogelijk zou zijn. Dat een dier zou kunnen praten. Kan een mens te oud zijn om naar een pratende gorilla te gaan kijken? Was er maar iemand aan wie ik het kon vragen.
Fotomodellen eten
Tekst: Anna van der Kruis
Het begint allemaal in de kerk, ergens in de jaren '60. Mijn vader zit daar tussen zijn broer en zijn zusjes. Het is er koud en het stinkt. Dan komt mijn moeder binnenlopen. Ze draagt een bontjasje, hakjes die op de stenen vloer tikken en een veel te kort rokje. 'Oetlokstersbien'. Zo noemen de mensen in het dorp haar benen.
Als ze gaan trouwen en samenwonen zegt mijn vader: "Je hoeft niet voor mij te koken, want warm eten, dat lust ik niet." De pannen in de boerderij waarin hij opgroeit staan de hele dag op het vuur. Mijn moeder weet echter wel beter. Ze heeft niet gestudeerd. Maar verstand van koken heeft ze wel.
Mijn vader is kunstenaar en fotograaf. In eerste instantie fotografeert hij bevriende muzikanten in de Nederlandse Kempen. Gerard van Maasakkers, 'Ut Muziek', de drie koningen. En de collectie van musea en werkplaatsen. Vooral in Den Bosch. Werk van de oude Etrusken, sieraden, keramiek.
De meeste gezinnen eten in die periode elleboogjes macaroni met jonge kaas en smac. Mijn moeder maakt tagliatelle met olijfolie, knoflook en champignons. Mij komen die ingrediënten op den duur mijn neus uit. Aten we maar eens iets minder fijnzinnigs. Oud Hollandse stamppot of zo. Zit ik eenmaal op de middelbare school, is mijn vader geen kunstenaar meer maar culinair fotograaf. Mijn moeder is geen autoriteit meer in de keuken.
Als ik mijn huiswerk maak, bakt food stylist Anton van Doremalen de mooiste gerechten af in onze oven. Of hij stalt ze uit op onze keukentafel. Anton noemt zichzelf nu food-dj lees ik op internet en kookt op hippe feesten in Berlijn. Bijvoorbeeld pasta en couscous. In espresso percolators (van die grote, waar je zes koppen uit kunt halen). Door op die manier te koken entertaint hij de eters. In die tijd entertaint hij mij.
Als de mannen tegen de avond klaar zijn, mijn vader uit de fotostudio komt en Anton naar huis gaat, eten wij fotomodel. In de jaren daarna komen er steeds vaker sterrenkoks over de vloer. Een specialist neemt een zeldzame witte truffel mee uit Italië. En als mijn vader en mijn lief in 2006 per ongeluk een half Charolais-rund kopen bij een slager in Frankrijk, gaat wat na het koken over is in de auto mee naar huis. Om te fotograferen.
Er wordt in onze studio gekookt zonder zout, want zout maakt mat. En ijsblokjes smelten onder de hete lampen, dus die zijn van plastic. Maar verder is alles echt. Borden komen uit de kringloopwinkel of uit onze keukenkast. Bestek komt uit heel Nederland. Nieuw bestek met één beschadiging kun je niet fotograferen. Intensief gebruikt bestek is precies goed gepolijst. Als mijn vader in een restaurant een exemplaar tegenkomt dat hem bevalt, verdwijnt het na de maaltijd in zijn binnenzak.
In 2010 overlijdt mijn vader. Het laatste wat hij eet is foie gras. De dame van de thuiszorg, die zijn bewustzijn gaat verlagen zodat hij rustig kan sterven, hoeft niet te proeven. Ze heeft het nog nooit gehad en is niet nieuwsgierig.
Nu eet mijn moeder in haar eentje (geen fotomodellen meer).
Foto: Anita Tuinhout.
Dit artikel verscheen eerder in Huisvlijt#19 - Kijken naar beeld in combinatie met Recept voor een rauw gemarineerde foto van Dirk Verhoeven.
Geven en nemen, en de rol van de theatercriticus
'Critici moeten beter leren speuren naar nieuw theatertalent'
Door Daniël Bertina
Eigenlijk is het een onmogelijke job: theater maken. Wekenlang zweten de acteurs de repetitievloer onder, de regisseur werkt zichzelf richting hartaanval en cafeïne overdosis om al die losse scènes aan elkaar te monteren, de zakelijk leider en productieassistenten hebben koortsdromen over de wel zeer krappe begroting, de magere voorverkoop, geklooi met de publiciteit, terwijl de drammerige zaalprogrammeurs hen in de nek hijgen. De technici houden het hoofd koel en draaien nog een shagje, terwijl het bestuur zich vertwijfeld achter de oren krabt. En uiteindelijk krijgen ze het toch weer voor elkaar; ondanks alles wordt de premièredatum gehaald!
Theatermakers geven hun voorstelling aan het publiek. En daar zit ook de criticus die deze voorstelling aanneemt en via de kritiek weer doorgeeft aan de lezers. Waar de woordlengte het toelaat geeft de criticus ook nog feedback aan de theatermakers; commentaar dat wellicht weer zijn weg zal terugvinden naar het toneel. De theaterwereld bestaat door deze subtiele balans van geven en nemen.
Maar ook deze criticus zit in een lastige positie. Hij staat niet te trappelen om al dat theatrale bloed, zweet en tranenwerk neer te sabelen – soms in amper 400 woorden. Denk eens aan die arme mensen, die schrijven voor de papieren krant met haar dwingende deadlines en briesende eindredactie. Zij zijn zich zeer bewust van de beperkingen. Soms hebben deze tragische figuren niet meer dan een paar uur de tijd om na afloop van de voorstelling naar huis te snellen en chocola te maken van iets wat zich, zoals alle goede kunst betaamt, soms vreselijk lastig laat interpreteren. ‘Wàt heb ik eigenlijk gezien?’ is een vraag die menig criticus zichzelf in diepe, nachtelijke wanhoop heeft gesteld, om vervolgens na het nodige pijnlijke schrapwerk schoorvoetend een acceptabel stukje richting redactie te mailen. Soms met het schaamrood op de kaken. Want kun je met zo weinig woorden eigenlijk wel recht doen aan een voorstelling? En hééft de theatermaker, die zo z'n best heeft gedaan, daar dan ook nog iets aan?
Waar de theatermaker eigenlijk maar één missie heeft - een goede voorstelling neerzetten - heeft de theatercriticus de rol van doorgeefluik tussen de maker en het publiek. De criticus moet constant een vertalende hink-stap-sprong maken. Dat is een schizofrene situatie. Je moet proberen te begrijpen en uit te leggen wat je gezien hebt, hoe het is opgebouwd, of het verwijst naar eerder werk en waar het je nog meer aan doet denken, wat daar dan interessant aan is, of waarom dat nu juist niet lukt of overtuigt. En pas aan het einde van al dat gepuzzel rest er de allermoeilijkste vraag: ‘Wat vònd ik er eigenlijk van?’. Tegelijkertijd moet je die chaos van informatie zo opschrijven dat de lezer – van leek tot freak – er iets van zal begrijpen. Daarbij maakt het een wereld van verschil of je schrijft voor een dagblad, een wekelijks magazine, vakblad of website.
Elke keer als ik aan een nieuw stukje begin, moet ik even denken aan een prachtige uitspraak van de gevreesde Australische kunstcriticus Robert Hughes. Ik parafraseer: ‘Een criticus heeft eigenlijk maar twee gedachten. Hoe begin ik mijn stukje? En hoe knoop ik een einde aan die son of a bitch?’.
Gelukkig behelst de hedendaagse theaterkritiek veel meer dan de slinkende recensies op de pagina's in onze papieren kranten doen vermoeden. De kritiek heeft zich ontwikkeld tot een veelkoppig monster. Dankzij de mogelijkheden van de communicatierevolutie met haar meningentsunami van weblogs en sociale media, waar allerlei 'experts' hun gedachten kunnen spuien. Ook over theater.
Juist in deze kakofonie van losse kreten, min of meer gefundeerde meningen, opinies, geschreeuw, gebash en gescheld die het internet rijk is, heeft de criticus nog steeds een bijzondere gidsfunctie. Wij zijn van het overzicht, de verbanden en de duiding. Op het web is het nu, zelfs voor de tragische digibeet, heel eenvoudig om met links directe verbanden te leggen tussen het werk, foto's, artikelen, websites en video's van andere makers. Zo biedt het internet heel veel mogelijkheden om een voorstelling in te pakken in een grotere context.
De criticus krijgt zo in toenemende mate, naast de vertrouwde rol van kritische kijker, ook de functie van tipgever die vanuit zijn ervaring en expertise het kaf van het koren kan scheiden, of nieuw talent kan 'ontdekken'. Dat gebeurt nog veel te weinig. Ik denk dat velen zich nog te weinig realiseren dat zij een steeds grotere rol kunnen spelen bij het introduceren van nieuwe makers.
Mede dankzij het democratiseringseffect van het internet kunnen theatermakers van buiten het professionele theaterbastion hun werk nét zo gemakkelijk onder aandacht brengen als de Grote Clubs. Wij critici moeten beter leren speuren naar dit nieuwe theatertalent. De eerlijkheid gebied me te zeggen dat in het hectische bestaan der freelancers dat speurwerk soms veel meer inzet, tijd en moeite kost dan het fietsen naar de stadsschouwburg. Het is heel verleidelijk om terug te vallen op de bekende groepen. Critici mogen wel wat meer de rol van theaterjager en -verzamelaar spelen.
Dat is geen straf. Eén van de allerleukste dingen van het vak is om met een mooie kritiek iets terug te kunnen geven aan talentvolle makers, die met een prachtige voorstelling een cynische kijker tot in de ziel hebben geraakt. In die gevallen is de kritiek ook echt een cadeau en kun je een behoorlijke invloed hebben. Dat is een grote verantwoordelijkheid. Een paar enthousiaste recensies kunnen bij beginnende theatermakers nét voor die aanmoediging zorgen die het verschil maakt tussen doorgaan of stoppen. Een moloch als Toneelgroep Amsterdam haalt (wellicht?) de schouders op bij een vilein stukje, maar als de debuutvoorstelling van een beginnende theatermaker gelijk wordt afgeslacht lijkt me dat een drama.
Wanneer verdient een theatermaker de 'gift' van een lovende kritiek? Dat is een lastige vraag. Het is altijd weer een zoektocht om met een kritiek recht te doen – wat dat dan ook mag betekenen – aan wat je die avond hebt gezien. De mate van ervaring of professionaliteit is niet zo relevant. Als het je raakt, dan raakt het je. Theater is een serieuze zaak en daarom denk ik niet dat je op de lange termijn een beginnende theatermaker helpt door een matige voorstelling milde, ontzettend aanmoedigende en constructieve feedback te geven.
Het risico ligt op de loer dat je door de knieën gaat of vanuit een soort misplaatste arrogantie die theatermakers even de les gaat lezen. Het is niet de bedoeling om de dramaturg uit te hangen. Daar zijn dramaturgen voor. Uiteindelijk sta je als criticus toch aan de kant van het publiek.
Dit artikel is eerder verschenen in Huisvlijt #17 - De Gift.
Help! Verbeeldingstekort!
Woensdag 29 september 1999; eerste lesdag voor het 1e jaar Beeldhouwen aan Sint-Lucas te Gent. Ik word 19 jaar en ken hier niemand. Al mijn klasgenoten spreken West-Vlaams en dat geeft hen een letterlijk onverstaanbare verbondenheid waar ik geen deel van uitmaak. Na enkele uren geheim geluk omdat het mijn verjaardag is, kom ik tot de ontdekking dat jarig zijn toch erg samen valt met mensen rondom je die weten dat je dag op dag zoveel jaar geleden geboren bent.
Op de middag heb ik dan toch het lef om op de trap tegen één van mijn klasgenootjes te zeggen dat ik jarig ben. Ze is vriendelijk en nodigt me zowaar uit om ’s avonds mee iets te drinken op het kot van een vriend. Op dat moment weet ik nog niet wat een geste ze doet om een meisje met het gehate Antwerpse accent op een clanonderonsje uit te nodigen. Ik ben blij verrast en ga hierop in. We spreken af voor de avond, ik krijg het adres mee.
In de namiddag heb ik voor het eerst vrij atelier. We krijgen de opdracht een dagelijks gebruiksvoorwerp te vergroten in klei en in ons ontwerp naar een spannende verhouding tussen voorwerp en sokkel te zoeken. Iedereen haalt zijn blanco schetsboek en nieuwe potloden boven, de meeste potloden rondom mij zitten mooi in een doosje gesorteerd van B6 tot H3. En hoewel ik mijn bijna volle schetsboek van vorig jaar boven haal en merk dat ik vandaag enkel nog een balpen ergens in mijn tas heb drijven, laat ik me niet intimideren door het glinsterende artistieke materiaal rondom mij. Ik zie er waarschijnlijk allesbehalve professioneel uit, maar bij het ingangsexamen had ik reeds ontdekt dat dit niets betekende. Met mijn koffielepeltje had ik minstens evenveel in klei uitgericht dan alle West-Vlaamse boetseerspatels en miretten samen. Ik had namelijk het geluk goed te kunnen observeren en een behoorlijk getrainde oog-handcoördinatie te bezitten.
Mijn zelfzekerheid duurt echter niet lang, iedereen rondom mij begint volop te tekenen op de witte vellen papier voor hen. Ik voel een lichte paniek en vraag me af hoe ze dit voor elkaar krijgen, alsof er bij hen een knop inspiratie in hun hoofd ontwikkeld is. Zo een knop die je aan en af kunt zetten gelijktijdig met de lestijden. Mij lukt dat niet, ik heb geen instant verbeelding of inspiratie of alles van die soort. Ik kan bij gezellige avonden niet op ludieke grapjes of leuke opmerkingen komen. Ik heb geen sublieme ingevingen op eerste schooldagen. Help! Een beetje benauwd kijk ik de hoogte in en zie dat ons atelier een prachtig oud lokaal is met een volledig glazen dak die een prachtige lichtinval geeft. Ik hoor gelach en doffe stemklanken waarbij ik even opgehouden ben er Nederlandse woorden in te verstaan. Niet wetend wat gedaan stop ik mijn schetsboek en balpen terug in mijn tas, bekijk vluchtig alle potloodlijnen en arceringen die ik bij mijn klasgenoten zie ontstaan en probeer zo normaal mogelijk het lokaal te verlaten.
Tien minuten later zit ik op mijn kot en zet zachtjes ‘happy birthday to me’ in. Ik zit stil, bekijk de muren die ik vorige week in de drie hoofdkleuren heb gezet en besluit volgende week een reiskoffer mee te nemen als gebruiksvoorwerp voor vrij atelier. Ik voel me hier een eenzame buitenlander.
Inspiratie haal ik uit de realiteit, en dat is vrij letterlijk te nemen. Die realiteit beperkt zich echter niet meer tot mijn eigen gekende leefwereld. Ik ga steeds meer op zoek binnen voor mij nog onbekend terrein. Gewapend met mijn fototoestel zoek ik in werelden die ik tot dan toe enkel van de buitenkant kende mensen en hun verhalen op.
Voor Disco Pigs ging ik het nachtleven in en bezocht verschillende clubs.
Als vooronderzoek bij Dekaloog fotografeer ik momenteel de inwoners van de appartementsblokken op de Groene Briel in Gent.
Dekaloog is de theaterbewerking van het gelijknamige filmscript van de Poolse cineasten Kieslowski en Piesiewicz waar ik momenteel aan werk. De verschillende verhaallijnen van mensen uit een appartementsblok, uit het script, inspireerden mij om de bewoners van een appartementsblok in Gent voor mijn lens te plaatsen. Met hun portretten en verhalen probeer ik de Tien Geboden of de 'Dekaloog' opnieuw samen te stellen.
Niet dat deze mensen nu letterlijk in mijn theaterbewerking voorkomen, maar ik haal bij hen wel kennis van een realiteit die me erg kan inspireren in het maakproces.
Leen Braspenning, september 2008
Deze column van Leen Braspenning verscheen eerder in Huisvlijt#13 - Verbeelding.
Jockeys kerstfeest
een kerstverhaal van Willy Vlautin
bewerking door Anna van der Kruis
Onderweg naar het vliegveld was ik dronken. Ik was al een paar dagen dronken. Ik was op weg naar mijn familie omdat het kerst was en ik vergat mijn tas achter in de auto van een vriend. Hij was ook dronken en zijn auto lag vol rotzooi en hij had geblowd. Waarschijnlijk kwam hij er pas achter dat mijn tas nog in zijn auto lag toen hij al lang terug was in de stad.
Het was twee dagen voor kerst en ik had geen kleren. Het enige dat ik nog bij me had was een westernverhaal van Zane Gray en zeshonderd dollar om kado's van te kopen.
Het was tien uur 's ochtends toen het vliegtuig aankwam en ik een taxi nam naar het Cal Neva Casino. Mijn vader werkte aan de rand van de stad. Ik had met hem afgesproken in een Chinees restaurant om één uur. Ik nam plaats aan de roulettetafel en ik dronk tequila jus d'orange en verloor vijfhonderdvijftig dollar voor het kwart voor één was.
Je kan je wel voorstellen dat ik ongelofelijk baalde. Ik kon nauwelijks naar mezelf kijken in de grote ramen van de casino's terwijl ik er voorbij liep. En toen ik tegenover mijn vader zat werd mijn toestand nog beroerder. Ik kreeg nauwelijks iets over mijn lippen. Dus dronk ik mijn bier, probeerde te eten en betaalde voor mijn vaders lunch.
"Aardig dat je het aanbiedt, JD", zei mijn vader, "maar je ziet eruit alsof je geen cent te makken hebt voor jezelf, dus ik begrijp niet waarom je voor mijn lunch wilt betalen."
"Het is het minste wat ik kan doen."
"Woon je nog in Houston?"
"Zoals ik al over de telefoon zei, ik ben naar Phoenix verhuisd. Ik heb bij Turf Paradise gewerkt het afgelopen jaar. Maar nu lukt het me niet meer om op gewicht te blijven, dus ik rijd geen wedstrijden meer."
"En hoe gaat het met de drank?"
"Hetzelfde. En bij jou?"
"Marjorie heeft gedreigd dat ze bij me weg zou gaan, dus ik ga naar AA bijeenkomsten." Hij glimlachte. "Hoe lang blijf je, kom je nog bij ons langs?"
"Natuurlijk", zei ik, maar ik wist dat het niet waar was.
"Dat zou ik geweldig vinden. Ik vind het heel vervelend dat ik jullie nooit heb leren kennen."
"We hebben vijftien jaar bij je in de straat gewoond."
"Daar heb je gelijk in", zei hij en we zaten daar een tijd lang te zwijgen en toen stond hij op en was de lunch voorbij en ging hij terug naar zijn werk. Ik dronk nog een glas bier in de stad en nam daarna een taxi naar mijn moeders huis. Tegen de tijd dat ik de taxi betaalde had ik nog ongeveer vijf dollar. Het was iets na twee uur in de middag.
Er was niemand thuis dus ging ik op de bank liggen, ik zette de tv aan en ik dronk bier. Er overviel me een overweldigend gevoel van mislukking.
Ik stond op, liep naar mijn moeders klerenkast en vond daar haar verstopte rol vakantiegeld. Het zat in diezelfde gewatteerde jas als vroeger. Ik nam er driehonderd dollar van en liep naar de keuken, waar ik een fles tequila vond die ik op een haar na leegdronk en belde een taxi die me naar het Cal Neva Casino bracht waar ik mijn moeders geld verloor in een tijdsbestek van twee uur.
Ik moest haar bellen uit een telefooncel.
"Mamma," zei ik, "ik ben in de buurt. Ik ben in de stad en ik vroeg me af of je me op kan halen na je werk?"
We maakten een afspraak en ik hing op.
Mijn moeder had sucadelappen in de elektrische slow cooker gelegd voordat ze ging werken en toen ze zich omgekleed had kwam ze naar beneden en deed ze er wortels en aardappelen bij en dekte ze de tafel.
"Hoe gaat het met ome Bobby?", vroeg ze.
"Onze drie jongste paarden waren kreupel, dus we moesten de hele bende verkopen en Bob slaapt in de trailer. Na de feestdagen gaan we naar Oregon waar misschien nog werk is bij mensen die hij kent."
"Ik had je nooit aan hem mogen toevertrouwen."
"Hij is de slechtste niet."
"Haal je je gewicht nog steeds?"
"Niet echt."
"In elk geval hoef je dan niet meer in die zweetdoos. Dat kan nooit goed voor je zijn."
"Ach, dat valt wel mee."
"En gaan jullie nu stoppen?" Ze vroeg het op een hoopvolle toon.
"Ik weet het niet. Ik kan ome Bob niet zomaar in de steek laten. Hij is niet meer wat hij geweest is. Hij is een beetje wazig, als je begrijpt wat ik bedoel."
"Drinkt hij nog?"
"Af en toe."
"En jij ook zo te zien."
"Bob en ik redden ons wel. We komen altijd weer op onze pootjes terecht."
"In elk geval kun je nu weer fatsoenlijk eten."
Ik keek naar het eten maar ik raakte het niet aan.
"Je was altijd dol op mijn stoofpotten."
"Ik ben er nog steeds dol op. Morgen zal ik er zeker van eten."
"Ik geloof je meteen", zei ze en ze schudde haar hoofd. Daarna zei ze niets meer, maar je kon aan haar merken dat ze van slag was.
De volgende ochtend na tienen kwam mijn zus Carrie thuis met haar tweede man Todd en haar drie kinderen. De kinderen renden door de kamer en ik lag op de bank met een deken over me heen en de tv aan en mijn zus kwam aanlopen met een kop koffie.
"Mijn God JD, wat zie je er verschrikkelijk uit", zei ze en ze glimlachte. Ze pakte me vast en ik ging rechtop zitten. "Maar je gezicht ziet er wel een heel stuk beter uit, je bent niet meer zo ver weg en je ziet er niet meer uit alsof je jezelf uithongert."
"Ik vind het ook leuk om jou te zien", zei ik en nam de koffie aan.
Toen ik in de keuken kwam stond Todd met één van de kinderen te praten.
"Jezus, JD," zei hij toen hij me zag, "hoe gaat het met je?"
"Oké", zei ik.
Mijn zus kwam achter me staan en omhelsde me.
"Ik ben zo blij dat we vanavond allemaal samen zijn", zei ze.
"Nu je er toch over begint," zei Todd, "over een uur beginnen de races bij Santa Anita dus ik hoopte dat ik je broer even zou mogen lenen, zodat we bij kunnen kletsen, hij en ik."
"Dat meen je niet", zei mijn zuster.
"Die tip die je me gegeven hebt in Turf Paradise, Jezus, ik heb toen drieduizend dollar gewonnen", zei Todd.
"Soms heb je geluk", zei ik.
"En vandaag?"
"Vandaag?"
"Nog tips?"
"Man, ik heb niks meer, laat staan tips."
We parkeerden de auto.
"Todd," zei ik terwijl hij uitstapte, "ik kan niet met je mee."
"Waarom niet?"
"Ik ben aan het verliezen en ik heb minder dan niks. Maar ga jij maar. Als je
de sleutels hier laat, kan ik naar de radio luisteren."
"Ik haat het om te gokken in mijn eentje JD, plus, het is Kerst. Ik betaal wel voor ons allebei vandaag." Hij lachte en ik, idioot die ik ben, ik volgde hem. We zaten achterin, kauwden pruimtabak en dronken bier en ik verloor de driehonderd die hij me gegegeven had.
We waren een uur te laat voor het eten.
We zaten daar met zijn allen en het was behoorlijk ongemakkelijk.
Toen ging de telefoon. Mijn zus Francine sprong op van haar stoel en nam hem aan in de keuken. Toen ze terug kwam zei ze dat het voor mij was.
Ik liep naar de keuken en nam op.
"Hallo."
"JD, met Bobby, kun je me tweehonderd lenen?"
Het was mijn oom Bobby en hij was dronken.
"Je spreekt met de verkeerde, Bobby."
"Heb je al dat geld al uitgegeven aan kado's?"
"Ik heb het verloren in het Cal Neva, een uur nadat ik geland was."
Hij begon te lachen. Hij lachte zo hard dat ik dacht dat hij ter plekke een hartaanval kreeg.
"Oké", zei hij uiteindelijk. "Vrolijk Kerstfeest." En toen hing hij op en was de lijn dood.
Die avond, toen iedereen sliep, lag ik op de bank en dronk bier en keek een oude film met Michael Caine. Hij was in de Bermuda Driehoek met zijn kind en ze werden gekidnapped door inheemse piraten die op een eiland leefden en ze hersenspoelden het kind. Het was een gestoorde film, hoe je hem ook bekeek. Ik viel in slaap terwijl ik er naar keek en het volgende moment zaten mijn twee zusters naast me met hun armen om me heen terwijl ik huilde.
"Het is goed, lieve", zei Francine zachtjes. Ik deed mijn ogen open en ze keken allebei bezorgd.
"Wat is er aan de hand?", vroeg ik zwakjes.
"Je had een nachtmerrie", zei Carrie en ze streek door mijn haar.
"Oh, JD, we maken ons zo'n zorgen over je."
"Het gaat wel", zei ik. "Het was maar een droom."
"We willen met je praten", zeiden ze. "Kunnen we even met je praten?"
"Heb je misschien een eetprobleem?", vroeg Carrie.
"Toen ik op de universiteit zat gaf ik alles over wat ik at", biechtte Francine op. "Het was vreselijk. En ken je Mary Rawlins nog? Zij verloor al haar haar en ze moesten haar tanden trekken."
"Zo ver is het niet met jou, toch? Vertel ons alsjeblieft dat je dat niet doet."
"Normaal eet ik als een paard", zei ik en ik probeerde te glimlachen.
Francine schonk me koffie in.
"Je kleren vallen bijna uit elkaar", zei ze.
"Hier lieverd", zei Carrie en legde duizend dollar voor me neer. "Vijfhonderd van mij en vijfhonderd van Francy."
"Dat kan ik niet aannemen."
"Je gaat het aannemen. We vertellen het niemand. Ook niet aan Todd. En zeker niet aan mamma."
"Pak het alsjeblieft aan. Je hebt een frisse start nodig, misschien helpt dit geld daar een beetje mee."
"Weet je het zeker?", vroeg ik.
"We weten het zeker. Als je het maar niet gebruikt om te gokken. Dat is het enige dat we van je vragen", zei Francine.
Dus ik nam het aan. Ik stopte negenhonderd in mijn portemonnee en de laatste honderd in mijn jas, voor noodgevallen.
Een uur later zetten ze me af in het winkelcentrum. Toen ik uitstapte voelde ik me meteen een stuk beter. Ik stak de straat over en liep een bar binnen. Ik bestelde een glas bier en de oude barman zette het voor me neer. Ik gaf hem een briefje van honderd.
"Goddomme jongen, ik ben net open," zei hij, "dat kan ik niet klein maken."
"Maar ik heb alleen maar honderdjes", zei ik.
Ik zat daar en ik dronk mijn glas leeg. En daarna nog drie andere. En de hele tijd zat er een groep Mexicanen naar me te kijken, waaronder één hele grote die eruit zag als een Viking en zijn voortanden miste. Ik denk dat het dakdekkers waren, tenminste dat was het enige waarover ik ze hoorde praten.
Toen ik de bar verliet kwamen ze achter me aan op de parkeerplaats. Ze zeiden iets en toen ik me omdraaide sloeg de grote tandeloze Viking me op mijn gezicht. Hij had maar één slag nodig om me tegen de vlakte te krijgen. Ze pakten mijn portemonnee en stapten in een vrachtauto en vertrokken. Ik lag daar een hele poos tot de oude man uit de bar naar buiten kwam en me zag.
"Die klootzakken zijn weggegaan zonder te betalen", zei hij en toen keek hij naar me en zag mijn gezicht. Ik geloof dat het niet makkelijk was er naar te kijken.
Ik waste me in het toilet en liep daarna terug het café in. De oude man had een glas bier voor me op de bar gezet en een shot whiskey.
"Ik kan je niet zeggen hoe erg ik ervan baal dat dit in mijn tent gebeurd is," zei hij, "de drankjes zijn van het huis. Maar wat deed je in godsnaam met zoveel cash op zak?"
"Ik was onderweg naar het winkelcentrum. Om kerstkado's te kopen."
"Het geluk ligt niet op straat hè", zei hij en schudde zijn hoofd.
"Ik geloof het ook niet", zei ik en nam een slok.
Het was bijna drie uur toen ik het café verliet. Ik was dronken en depressief en ik liep richting het Peppermill Casino met mijn laatste honderd dollar dicht tegen mijn lichaam in mijn vuisten geklemd.
Daar bracht ik de drie uur die volgden door aan de black jack tafel. Tegen het einde kwam de serveerster elke ronde langs en verdween mijn geld onmerkbaar.
Toen ik eindelijk stopte, had ik nog twintig dollar en een vol flesje Heineken. Ik besloot te liften naar Phoenix. Ik zou niet terug gaan naar het huis. Dronken, met een gebroken neus en zonder kado's. Toen mijn bier op was zwierf ik rond bij de fruitautomaten en dronk alle resten drank op die ik kon vinden. Er waren twee halfvolle glazen Millers en een verwaterde Jack Daniels en cola. En vlak bij de Triple Diamond machines vond ik een koud flesje Budweiser dat nog bijna helemaal vol was.
Terwijl ik daar zat en het donker werd, vroeg ik me af waar ik die laatste twintig dollar nog voor nodig had. Als ik toch ten onder ging, in de kou, met een gebroken neus, waarom dan niet totaal blut. Ik stopte de twintig dollar in de machine. Ik had al twaalf dollar verspeeld toen ik drie diamanten kreeg. Drie diamanten op een rij. Vierduizend dollar.
De zoemer ging af en ik zat daar en ik begon te huilen, ik huilde zo hard dat mijn neus weer begon te lopen en het bloed op mijn jas liep.
Ik nam een taxi naar de andere kant van de straat. Ik ging het winkelcentrum binnen en kocht voor alle kinderen een kadootje. Voor mijn zussen kocht ik waardebonnen, voor mijn moeder een polshorloge en daarna nam ik een taxi naar de Turf Club en kocht ik een jaarabonnement op het Daily Racing Form voor Todd.
Toen de taxi me thuis afzette was het vijf voor zes.
"Oh mijn God", riep mijn moeder. "Ik zei toch dat hij niet zomaar zou verdwijnen." Ik kwam binnen met mijn armen vol kadootjes. De kinderen renden op me af en ik zag dat mijn zussen opgelucht ademhaalden.
Ik ging zitten op de plek die ze voor me hadden vrijgehouden.
"Oh mijn God", zei mijn moeder. "Wat is er met je gezicht gebeurd?"
"Ik was in het winkelcentrum en ben over de fontein gevallen met mijn gezicht op een bank."
"Je bent waarschijnlijk flauwgevallen door ondervoeding", zei Carrie bezorgd.
"Je hebt misschien wel een veel te lage bloeddruk", zei Francine.
"Jullie hebben gelijk", zei ik. "Ik was zo druk bezig met de kado's dat ik vergat om iets te eten." En daarmee was het onderwerp afgedaan.
Na het diner stond ik in de keuken en gaf mijn zussen hun vijfhonderd terug. Todd vond ik in de achtertuin met een joint. Ik gaf hem zevenhonderd, om zijn en mijn eigen verlies goed te maken.
"Hoe kom je daaraan?", vroeg hij.
"De fruitautomaat", zei ik en lachte.
"Jij bent een verdomde geluksvogel."
"Ja, ik denk het", zei ik.
Later die avond stopte ik duizend dollar in de oude jas van mijn moeder. Daarna ging ik op de bank liggen en keek een oude film met Carole Lombard. Wat mij betreft de mooiste vrouw die er is. Ik had net een biertje opengemaakt toen de telefoon ging.
"Hey JD, met Bobby," zei mijn oom toen hij mijn stem hoorde. "Luister jongen, ik heb een baantje voor ons voor het komend seizoen."
"Echt waar?", vroeg ik.
"Echt waar."
"Oom Bob," zei ik, "dit is de beste Kerst ooit", en ik begon te lachen. "Gelukkig Kerstfeest."
"En voor jou ook jongen", zei mijn oom. "Voor jou ook."
Dit artikel is eerder verschenen in Huisvlijt #17 - De Gift.
LaLa verzamelt
Productiehuis Brabant vroeg voor Huisvlijt#15 - De complete Collectie haar makers om verzamelingen die direct of indirect met hun werk te maken hebben.
We zijn allebei constant bezig met het verzamelen van beelden die ons aanspreken. Aan het begin van een werkproces leggen we al die beelden samen en halen daaruit wat inspirerend is voor ons beide. Die foto's leiden tot nieuwe ideeën, vormen, bewegingen of zelfs complete scènes. Je zou kunnen stellen dat onze voorstellingen collages van beeldmateriaal zijn.
Leen Braspenning verzamelt
Productiehuis Brabant vroeg voor Huisvlijt#15 - De complete Collectie haar makers om verzamelingen die direct of indirect met hun werk te maken hebben.
Ik ben geen verzamelaar denk ik. De hoofdreden is dat ik zo niets heb met ‘bezit’. Het enige dat ik wil bezitten is een huis omdat dat het beste pensioenspaarplan is dat ik kan bedenken. Maar verder heb ik maar één boekenkast die nog niet vol staat, één schoenrek met heel wat afgelopen schoenen en een kleerkast waarbij de kledingstukken met gaten erin toch eens aan vervanging toe zijn. Ik heb niets tekort maar ook niet echt teveel. Ik ben ook van het idee dat materiaal moet leven. De verzamelaars die ik ken, die van het mannelijke soort die geen boek –of platenzaak kunnen voorbijlopen zonder aanschaf, willen hun goed zo onberispelijk zuiver houden dat ik er met mijn tengels niet aan durf komen. Ik vind dat je aan een boek mag zien dat die twee weken in mijn tas heeft gezeten, deze mening wordt op zijn zachts gezegd niet gedeeld door mijn omgeving.
Het enige wat ik wel opsla zijn beelden, en omdat mijn hoofd voor al die beelden te klein is, is mijn fototoestel een goed hulpmiddel. Ik hou beeldenserie’s. Vooral dan van mensenserie’s; portrettenserie’s. Het is ooit begonnen met de opdracht ‘Zwaartekracht’ die ik in school kreeg. Een serie geschaafde kinderknieën vond ik het beste zwaartekracht verbeelden. Deze verbeelding beviel me wel, en sindsdien trek ik mensnen in reeks, of het nu knieën, voeten, handen of gezichten zijn.
Ik verzamel graag de verschillen van het menselijk lichaam denk ik.
Peerke Malschaert verzamelt
Productiehuis Brabant vroeg voor Huisvlijt#15 - De complete Collectie haar makers om verzamelingen die direct of indirect met hun werk te maken hebben.
Dieren verzamelen om te overleven, het is een van de oudste activiteiten. De mens is het enige dier dat een bijzondere relatie heeft met zijn verzameling, iedereen verzamelt iets. Een bijzondere verzameldrang, daaruit spreekt liefde voor de dingen.
Alles wat veel is, is theatraal, omdat het verrast en verbaast. De enorme hoeveelheid, die in het dagelijkse onmogelijke lijkt, wordt mogelijk. Een verzameling staat in conflict met zijn omgeving. Een tafel met 203 schoteltjes, dat past niet. Er valt een schoteltje. Een stapel van 117 stoelen en je moet er langs, dat kan niet. Ik laat liever 38 schapen over toneel rennen dan 9 schapen, een verzameling overweldigt.
Vroeger verzamelde ik puntenslijpsel in boterhamzakjes en stopte het in een la. Ik vergat dat ik het had en bij het opruimen vond ik het te mooi om weg te gooien. Ik verzamelde knikkers in een vaas, ruilde en verspeelde ze. Ik bladerde door stickerschriften waar ik mijn nieuwste stickers in plakte.
Nu verzamel ik momenten, beelden, bewegingen, zinnen die samenvallen, waar verhalen uit voortkomen. Ik zoom in met mijn lens, of ik plaats er een lijstje omheen, een kader: hier mag je naar kijken. Een sissende pan die het begin is van een partituur van de rare componist, een ladder in een panty waar de dikke man aan de overkant even naar kijkt, een gebroken balkenende.
Ik verzamel omdat ik nieuwsgierig ben, omdat ik wil begrijpen, en omdat ik mij verbaas. De verzamelingen inspireren mij. Ik maak van mijn verzamelingen een eigen structuur en logica, ik nodig mensen uit om daarnaar te kijken. Ik laat mensen de vergeten puntenslijpsel in de boterhamzakjes zien, omdat ik het te mooi vind om aan voorbij te gaan.
Vandaag verzamel ik walnoten uit de tuin, het is herfst en ze vallen van de boom.
Recept voor een rauw gemarineerde foto
Tekst: Dirk Verhoeven
Ingrediënten
Goede camera, de beste kwaliteit die je je kunt veroorloven, liefst van het merk Hasselblad
Statief
Lampen
Studioruimte voor, achter, links en rechts om bord en lampen op te stellen
Keuken
Computer gelinkt aan camera
Photoshop
Spiegels op standaards en knijpers
Tafel
Set borden
Authentiek, gepolijst bestek
Glazen die de kooksfeer vatten (bijv. klassiek of modern)
Zachte, gewassen doek
Bereidingswijze
1. Neem met de uitgever van het kookboek de wensenlijst door. Ga diep in op vragen als: wat is de verbindende thematiek van het te publiceren kookboek? Hoe wil de uitgever dat de gerechten in beeld komen, vanuit welke hoek? Hoe komt het beeld ten opzichte van de tekst in het boek te staan?
2. Je productiemedewerker moet aan de bak en de topkoks bereiken. Zij kiezen een gerecht dat zij voor het boek willen maken. Als er meerdere koks met ossenhaas willen werken, zal er een gekozen moeten worden en zullen de overigen een ander vleesgerecht of een variatie met hetzelfde ingrediënt moeten kiezen. Zie de koks naar je studio te krijgen, want daar kun je het beste licht instellen.
3. Trek vier a vijf uur uit om in een donkere hoek in je studio een eerste belichtingsset van lampen, tafels en achtergronden neer te zetten. Alle omgevingslicht moet uitgebannen worden. Elke fotografiedag begint met een uur licht instellen op het bord. Gebruik in de tussentijd een figurant. Een keukenrol kan bijvoorbeeld vleesvervanger zijn totdat een worst bereid is.
4. Een topkok is een drukbezet man. Kan hij niet tussen lunch en diner tijd vrijmaken, dan staat hij om vier uur 's ochtends op om het gerecht voor te bereiden, het vervoersklaar te maken en gerechtspecifieke kookspullen (bijvoorbeeld een bepaald type mixer) in de auto te laden. Heet de kok dan ook een warm welkom als hij om acht uur 's ochtends bij je studio arriveert en geef hem een goed kopje espresso.
5. Previsualiseer. Weet van tevoren wat je wilt. Bepaal in samenspraak met de kok waar het accent in het beeld komt te liggen. Wil je deze op het vlees, op de achtergrond? Wil je dat accent donker of licht hebben? Hoe het beeld in het boek komt te staan is hierin mede bepalend. Fotografeer je rauw vlees zoals in het voorbeeld op de voorzijde, dan let het heel nauw dat het accent niet te donker wordt, opdat het niet lijkt alsof de kok het vlees niet goed bereid heeft.
6. Maak een keuze uit je bordenset. Wil je een wit of gekleurd bord, wel of geen randje? Kies bijpassende messen en glazen om de sfeer aan te geven waarin de topkok kookt. Fotografeer je een paasgerecht, stuur dan je productiemedewerker op pad om paasartikelen te kopen. Ook al is het herfst.
7. De kok maakt zijn gerecht af en legt het in de set. Als het eten na het fotograferen weggegooid wordt, hoeft het niet helemaal doorgegaard te worden, zoals de kok dat voor consumptie in een restaurant wel zou doen. Daarmee kun je een beetje kostbare tijd winnen. Verder doe je géén concessies. Het gerecht moet eerlijk bereid worden, zonder trucage, want op helder beeld is alles zichtbaar. Stoei met licht, scherpte en diepte totdat het perfect is. Monitor op je computer, zodat je met de kok kunt overleggen.
8. Voeg waar nodig voor het beeld peper en fotogenieke zoutkorrels met mineralen toe, mits de kok daarmee instemt. Deze heb je liefst zelf van de zoutvelden gehaald. Overleg met de kok over de compositie, pas waar nodig aan met bijvoorbeeld een sprietje bieslook meer of minder. Een goede, eigenzinnige fotograaf blijft in het proces met de kok van gedachten wisselen over bereiding, vormgeving en belichting van het gerecht. Die uitwisseling is voor beide professies leerzaam en gelukkig makend.
9. Stem op de seconde af met de kok wanneer een saus bijgeschonken kan worden en roep 'NU!'. Klik. Als het sausje te ver is uitgedropen kan het zijn dat het beeld opnieuw gemaakt moet worden, dat het gerecht wel in een restaurant geserveerd had mogen worden maar niet overkomt op de foto. Dan moet alles van het bord af en opnieuw bereid worden. Met een zachte, gewassen doek wordt het bord schoongemaakt, opdat er geen vingers op te zien zijn. Hou hoe dan ook de rust in je tent.
10. Heb je het licht exact goed en komt het bord op precies eenzelfde wijze als het vorige bord door dan kun je met tien keer klikken het juiste beeld te pakken hebben. Maar bij mindere omstandigheden kunnen het makkelijk honderd foto's worden. Kies je beste beelden en leg ze voor aan de kok. Wees zeker van je zaak en vraag hem of hij het eens is met je keuze.
11. Begin aan het volgende bord. Trek voor elk beeld twee uur uit. Op een (lange!) dag kun je maximaal zes tot acht gerechten fotograferen. Vergeet tussendoor niet te lunchen en bewaar liefst iets voor je vrouw en kind als avondmaaltijd.
12. Bewerk je geselecteerde beelden na in Photoshop. Retoucheer. Breng de licht- en donkerschakeringen bij elkaar. Maak de beelden klaar voor de specificaties die de drukker je stelt. Brand de beelden op CD, stap in je auto en breng ze zelf langs bij je uitgever. Leg de redactie nog even helder uit hoe het beeld volgens jou in het boek terecht moet komen. Hoop dan op het beste. Vanzelfsprekend bij een vol glas wijn.
Foto: Rauw gemarineerde ossenhaas met gebraseerde ossenstaart, knolselderijpuree en wintertruffel, door Peer van der Kruis. Recept: Marc van Gulick.
Dit artikel verscheen eerder in Huisvlijt#19 - Kijken naar beeld in combinatie met de column Fotomodellen eten van Anna van der Kruis.
Rutger Hauer redt de avond
Sindala! Ze kleedt zich aan in het schijnsel van de televisie. Tussen het roekeloos springen uit een hoog torenraam en het broederlijke schuilen achter in een paardenkar kiest ze kleur ondergoed en sokken. De publieken zenden een ‘Floris’ marathon uit, met de jonge Rutger Hauer en Jos Bergman in zwart wit, hun zwaarden los in de schede om hun middel.
Het aanrecht staat vol lege blikken bier, ze schuift ze aan de kant en zet koffie. Aan de overkant van de straat ziet ze de buurman staan, een chocoladereep in zijn handen, in zijn grijze trainingspak. Ze trekt de gordijnen dicht.
‘The Legend of the Holy Drinker’ wordt aangekondigd voor de namiddag. Een Rutger Hauer met veeg bruin haar en een vlassig snorretje. Naar een boek van een obscure Oostenrijkse schrijver. Over een half uur moet ze werken. Gelukkig heeft ze ‘The Legend of de Holy Drinker’ al eens eerder gezien.
In Walters Café op het dorpsplein tapt ze voor de uitgekotsten. Kip met zijn Walt Disney-baseballpet, die op de zondagen het vuilnis buiten zette en de koelkasten vulde. Tot hij ruzie kreeg met het management. Hij komt alleen nog als zij werkt. Als het hem bij binnenkomst niet lukt zich in te houden roept hij ‘lekker ding’ en lacht daarna zijn schaamte weg.
Achter de gokkasten zit die ochtend een vrouw met sluik blond haar. Ze wisselt voor honderd euro munten, die allemaal in de machine verdwijnen. Daarna bestelt ze een koffie. Trillend houdt ze het kopje bij haar mond. Ze heeft al twee dagen niet gegeten zegt ze. “Begrijp jij dat?” vraagt ze. Rutger Hauer zit aan de bar. “Herinner je je ‘The Legend of the Holy Drinker’?” “Ja.” “Ik kon niet anders dan drinken, als ik niet dronk, wist ik niet hoe ik het had.” Ze knikt begrijpend. “Maar in ‘Turks Fruit’ was je zo vrolijk.” “Ik was nog jong toen.”
Op een barkruk slaapt Ron. In zijn bed lukt het niet. Hij slaapt alleen in Walters Café achter een glas bier.
Terug thuis eet ze een tosti. Op haar knieën voor de televisie. Zolang het ding geluid maakt is ze nergens bang voor. Hoe later op de dag hoe dichter ze erbij zit.
Rutger zit naast haar. Ook op zijn knieën. “Je moet je keuken opruimen,” zegt hij, “je moet die lege blikken in de prullenbak gooien. Je moet een beetje voor jezelf zorgen, zo word je depressief, als je alleen maar in die kroeg werkt en jezelf in slaap drinkt.”
Over het beeldscherm lopen de begintitels van ‘Ladyhawke’. “Herinner je mij in ‘Ladyhawke’?” Ze knikt. “Natuurlijk, het was mijn lievelingsfilm.” “Je was niet de enige.” “Dat zal wel niet, nee.” Ze opent twee blikken van een b-merk die ze naast hen op de grond zet. “Hier.”
De jonge Isabeau en Navarre – Michelle Pfeiffer & Rutger Hauer – bevechten met al wat ze hebben de boze bisschop en vieren hun liefde. Door het raam van de kerk valt wit licht.
Tegen de beeldbuis aan valt ze in slaap. Aan haar voeten een sixpack. Twee blikken open, vier dicht.
Deze tekst van Anna van der Kruis verscheen eerder in Huisvlijt#13 - Verbeelding.
Samen denken
Kasper C. Jansen – Samen denken
Vele handen maken licht werk, luidt het spreekwoord. Niet alleen wetenschappers en politici, maar ook kunstenaars maken dagelijks de vergissing te denken dat daarom vele hoofden ook wel een briljant plan zullen maken. Ze beelden zich in dat hoofden parallel geschakeld kunnen worden, net als batterijen, en achten zo’n ‘collectief’ tot grotere prestaties in staat dan een hoofd alleen.
Helaas voor hen is een hoofd iets heel anders dan een hand. Wezens met één hoofd en een heleboel handen bestaan er veel op onze planeet en ze zijn ook succesvol, in meerdere opzichten succesvoller dan de mens. Maar wezens met een heleboel hoofden zijn alleen een succes in fantasieverhalen. Als zoiets een keer per ongeluk geboren wordt, leeft het niet lang.
Op dezelfde manier slaagt ook het ‘samen denken’ alleen in onze fantasie. In werkelijkheid leidt ‘samen denken’ tot voorspelbare consensus en onbevredigende compromissen, nooit tot grote prestaties. Die laatste blijven, zeker op artistiek gebied, voorbehouden aan eenzame individuen. Ik hoef hun namen denk ik niet te noemen.
Als we iets van de sociologie kunnen leren is het dat het gedrag van groepen mensen eenvoudiger te voorspellen is dan het gedrag van individuen. Een sterker argument kan ik niet bedenken om de originaliteit bij het individu te zoeken en niet bij het collectief.
Waar een collectief het onmiddellijk over eens wordt is vanzelfsprekend wat iedereen in het collectief goed vindt: de consensus. Hoe groter het collectief, hoe meer die consensus overeenkomt met de algemeen geldende consensus, dus hoe algemener en onopvallender ook de ideeën zullen zijn die eruit ontstaan. Waar geen consensus over is, daarover moet een compromis worden gesloten. Je zou het product van een collectief daarom als volgt kunnen definiëren: voorzover het geen consensus is, is het een compromis, oftewel: voorzover niet iedereen het goed vindt, vindt niemand het goed, oftewel: voorzover het niet onopvallend is, is het slecht.
Stel dat een groot architectencollectief een woonhuis gaat ontwerpen, dan zal er waarschijnlijk consensus bestaan over de volgende dingen: het huis moet een fundering hebben, muren en een dak, het moet kamers hebben met ramen, waaronder een wc, een badkamer en een keuken. Wat dat betreft kunnen we erop vertrouwen dat het huis wordt als alle huizen. Nu wil de helft van het collectief een plat dak en de andere helft een puntdak. Een plat dak geeft een ruime bovenverdieping, maar van een puntdak loopt het regenwater beter weg. Ze worden het niet eens en komen tot een compromis: de voorste helft van het dak wordt aflopend en de achterste helft plat. Dus aan de voorkant krijgen de bewoners een lastige schuine muur, terwijl er aan de achterkant toch water op het dak blijft staan. Zo verliest een ontwerp door compromitteren zijn integriteit, terwijl de kracht van de consensus ervoor zorgt dat het ook niet origineel is.
Kritiek beweegt zich juist van het compromis af en stelt de consensus ter discussie. De kritische beschouwing van onze voorgangers helpt ons verder te komen dan zij. Het echte ‘samen denken’ is daarom niet de gezellige brainstorm, maar de kritische kanttekening. Alle artistieke meesterwerken zijn te herleiden tot het brein van één of hooguit twee individuen. Zij stonden weliswaar op de schouders van talloze andere individuen, die hen inspireerden of uitdaagden, maar dit ‘denken van de mensheid’ is een heftige opeenvolging van acties en reacties waar eeuwen overheen gaan, iets heel anders dan het ‘samendenkproces’ van een collectief en het blije streven naar middelmatige unanimiteit.
De column van Kasper Jansen werd uitgesproken tijdens de eerste editie van de Tekstsmederij, een ontmoetingsplaats voor toneelschrijvers, regisseurs en acteurs aan het begin van hun carrière die zich ten doel heeft gesteld samenwerking onder jonge makers te stimuleren en een groter draagvlak te creëren voor nieuwe theaterteksten. Een initiatief van schrijvers Malou de Roy van Zuydewijn en Timen Jan Veenstra in samenwerking met Daniëlle Wagenaar, de Toneelmakerij, Likeminds en het Rozentheater. Voor aanmelding en meer info: www.detekstsmederij.nl
Dit artikel verscheen eerder in Huisvlijt #18 - Duidt in het zakje
T.I.M.E. met Peerke: je verdiepen tussen evenveel talen als talenten
Regisseuse Peerke Malschaert gaat de diepte in in Den Haag en komt aan het eind van het eerste jaar van haar tweejarige masterspecialisatie Muziektheater. De master heet T.I.M.E. (This Is Music-theatre Education) en heeft zijn pilot aan de Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans in de hofstad. Het jaar wordt afgerond met de multidisciplinaire theatervoorstelling Medea Materiaal, die zij met haar negen medestudenten al discussiërend en elkaar vertalend gemaakt heeft. Peerke: " Zo'n opleiding is een stroomversnelling van input."
Tekst: Dirk Verhoeven
"We hebben zes weken met tien mensen zonder begeleiding aan Medea Materiaal gewerkt. Dat was pittig, omdat alle studenten verschillende achtergronden hebben. We spreken allemaal een andere taal, hebben een andere vooropleiding en referentiekader. Een keer per week kwam Paul Koek en een keer per week kwam Paul Slangen kijken – de oprichters van de master - en feedback geven. Zij gooiden alles weer overhoop, opdat je opnieuw ging nadenken over waar je mee bezig bent.
Ik word niet twee jaar lang lekker gepamperd. Je moet deze master helemaal zelf doen en dat is goed. De twee Pauls (Koek en Slangen) willen vooral dat je met vragen komt. Ik wist eerst niet wat ik met de klassieker Medea moest, maar het initiatief moet toch vanuit jezelf komen. Dus vond ik een filosofisch essay waarmee ik Medea als botsing van culturen kon benaderen en kon koppelen aan de actualiteit. We hebben geprobeerd het maken van een voorstelling te benaderen als ensemble. Daarin ga je elke keer dat je samen bent met de groep op zoek naar ieders werkwijze en geef je elkaar opdrachten. Korte acts van waar Medea volgens jou over gaat.
Masters in samenwerken
Begin twintigste eeuw was er veel meer kruisbestuiving tussen kunstenaars. Met architecten, beeldend kunstenaars en muzikanten zat je met zijn allen in de kroeg te ouwehoeren. Nu is er een ontzettende verwijdering. De tien makers binnen deze master zijn zo verschillend en dat is voor een creatief proces belangrijk: dat je op die manier elkaar verrast. Ik heb tijdens het maken van de voorstelling gegrapt dat we masters in samenwerken worden. Sommigen dagen heb je een hekel aan iedereen, maar het is de kunst dat je elkaar inspireert. Want je hebt tien verschillende meningen en smaken en je wil geen compromis maken. Ik leer op verschillende manieren van die tien heftige persoonlijkheden en ik word ook harder. Niet aan elke opmerking waarde hechten. Je leert je aannames opzij te zetten, de smaken en stijlen van een ander in perspectief te zien.
Juist die verschillende makerstalen hebben mij naar deze opleiding getrokken. Ik vind mijn werkwijze binnen de master niet anders dan hoe ik buiten de opleiding met maker Barbara Knapper samen voorstellingen maak. Ik ben op zoek naar hoe alles – taal, beeld, licht, muziek – gelijkwaardig aan elkaar kan zijn. Doordat we verschillende talen hebben stellen je medestudenten vragen waardoor je een nieuwe creativiteit moet aanboren. Als je vier jaar een theaterstudie doet heb je bepaalde aannames over het vak, terwijl bij deze master een muzikant of docent muziek die niet uit het theater komt het vak voor het eerst benadert. Ik leer van de verschillende disciplines. Bij muzikanten gaat een maakproces leven als je een structuur aanbiedt, terwijl als je een theatervoorstelling maakt dingen veel langer niet concreet blijven. Het is dan zoeken naar een kader binnen het maakproces waarbinnen ook de muzikant zich vrij genoeg voelt om los te gaan. Op een theateropleiding leer je je continu als individu ergens toe te verhouden en dat is in de muziek heel anders. In de discussies binnen de groep hebben de theatermensen het hoogste woord. Het is goed als de muzikanten daar een beetje tegenin leren te gaan.
John Cage & begrijpelijkheid
Als ik voorheen met muzikanten werkte had ik een zwarte vlek. Ik ben veel met muziek bezig, maar mis de droge, technische kennis. Nu weet ik beter waar de muzikanten het onderling over hebben. In een van de voorstellingen die ik voordat ik aan deze master begon maakte, Ons Oneindig, zat een liedje van Tom Waits en een rockgitarist. Nu verdiep ik me meer in John Cage, Misha Mengelberg en klassieke componisten. Ik probeer mijn kennis van muziekgeschiedenis en –theorie te vergroten. Er komen voortdurend stijlen voorbij. Ik heb nu vanuit een grafische partituur een scene gemaakt, John Cage-achtig. Dat is zo anders dan vanuit een theatertekst werken en dat vind ik superinspirerend. Ik begrijp nu waarom ik met muzikanten wil werken en muziektheater wil maken. Muziek is een abstracte kunstvorm en deze past bij het werk wat ik maak. Ook hoe muziek je zintuigen aanspreekt en je ontregelt. Dat biedt heel veel ruimte om aan de begrijpelijke verhaallijn te ontkomen, met het narratief heb ik weinig. Ik ben er ook achter gekomen dat ik net zo veel leer van de praktijk als van een opleiding. Deze master is een manier van leren.
We hebben aan het begin van de opleiding een blok gehad waarin elke maandag een gastspreker langskwam. Dan kwam er bijvoorbeeld iemand praten over het Midden-Oosten. Of we kregen architectuurles van Gosse de Kort. Zo'n opleiding is zodoende een stroomversnelling van input. Een overkill van informatie en inspiratie, dus je verdiept je op een hele snelle manier. Voor mijzelf vind ik het goed zo de breedte in te moeten. In de verbreding zit de verdieping, maar wel is alles in relatie gebracht tot muziektheater. Ik hoop dat ik na deze master kan uitkristalliseren en ik iets ga doen met alle ideeën die ik heb gekregen."
Dit artikel verscheen eerder in Huisvlijt #18 - Duidt in het zakje
Voor hen die niet als winnaars leven
Voorjaar 2011: terwijl overal in het land posters verschijnen met de tekst ‘Hoeveel geluk zit er in succes?’ buigt Twan van Bragt zich al meer dan anderhalf jaar over deze vraag. Het is een van de kernvragen in zijn voorstelling Exit the King waaraan hij deze zomer werkt in de studio van Productiehuis Brabant.
Twan maakt theater om dingen te doorgronden, beter te begrijpen en zijn ontdekkingen vervolgens met anderen te delen. Humor is daarbij zijn grootste breekijzer, omdat het mensen bereid maakt zich open te stellen. Zijn keuze in thematiek verraadt een filosofische invalshoek. In gesprek met twee aankomende filosofes die beiden ook vaak in het theater te vinden zijn, benoemt hij zijn fascinatie voor roem, vergankelijkheid en Amerikaanse televisiepresentatoren en ontdekken we dat zijn personage Marie niet onderdoet voor Monica Lewinsky.
Tekst: Heleen Volman
Exit the King is gebaseerd op De koning sterft van de Franse auteur Eugène Ionesco. Het stuk gaat over een koning die te horen krijgt dat hij zal sterven, en wel in de komende anderhalf uur. "Een fantastisch gegeven", vindt Twan. "Je maakt de laatste anderhalf uur mee van het leven van een man die ooit rijk en machtig was." "Dat het een koning is doet er niet eens zoveel toe", merkt Marijn op. "Je weet dat hij decadent heeft geleefd, met absurde feestjes en het idee dat hij alles en iedereen naar zijn hand kan zetten. Hij heeft alleen maar aan zichzelf gedacht en zijn omgeving heeft hem hier niet van weerhouden."
In Twans bewerking blijft de koning koning maar heeft hij ook trekken van beroemde televisiepresentatoren als David Letterman, Larry King, Matthijs van Nieuwkerk... Koningen van deze tijd, machtig door de miljoenen kijkers aan hun voeten. "Exit the King speelt zich af in een ruimte die doet denken aan een televisiestudio", licht Twan toe. "Het publiek wordt ontvangen alsof het bij een live-uitzending is. Een select groepje mag bij het afscheid van de koning zijn, wat het naast intiem en exclusief vooral schrijnend maakt. Als publiek zit je met je neus bovenop de aftakeling."
Op de vraag hoe hij voor zichzelf het bewustzijn van vergankelijkheid ervaart, vertelt Twan (midden twintig) over het pijnlijke besef van ouder worden dat hem sinds zijn zestiende verjaardag - het moment waarop er zoveel meer binnen handbereik komt voor nieuwsgierige pubers - parten speelt. Dacht hij het aanvankelijk moeilijk te vinden dat iedere dag een stap dichter naar de dood is, bij nader inzien is het misschien toch vooral omdat fijne dingen voorbijgaan, niet meer terugkomen, een herinnering worden.
"Je voorstellen dat de wereld doordraait zonder jou is een lastig gegeven", stellen de filosofiestudentes. "Als jij er niet meer bent, is ook jouw perspectief weg, verdwijnt jouw wereld." "Ook voor de koning in Exit the King is dat het moeilijkst", beaamt Twan. "Daarom roept hij dingen als: 'Iedereen moet mijn leven uit zijn hoofd leren.' Dat het heel menselijk is om iets achter te willen laten, voort te willen bestaan in herinnering zal niemand ontkennen. Roem en succes lijken daar meer kans op te bieden. Dat de staat volgens Plato (of was het Aristoteles) een vorm van onsterfelijkheid is, blijkt uit filosofisch oogpunt de grootste kans die de koning laat liggen. "Deze koning is in de verste verte niet onsterfelijk, ook niet in overdrachtelijke zin. Hij laat geen nobele daden achter, niet eens een koninkrijk, want dat is totaal afgebrokkeld. Niet alleen naar Plato's maatstaven zoals uiteengezet in De Staat faalt hij totaal als leider. Hij is in niets een voorbeeld, eerder het toppunt van menselijke onmacht."
Geen loutering voor de koning, dus. Zijn besef van eindigheid komt te laat om zijn leven op waarde te schatten. Hij is gewoon niet op het idee gekomen dat het ooit afgelopen zou zijn. Voor Esther blijft het een belangrijk item dat ook de jaknikkers om hem heen hier aan hebben bijgedragen. Om niet geconfronteerd te worden met de aftakeling en het ouder worden, ruilde de koning zijn eerste vrouw in voor de jonge Marie. Boeiend vindt Twan het dat de oudere Marguérite is gebleven toen Marie kwam. "Langzamerhand neemt Marguérite haar rechtmatige plek weer in en heeft Marie niets meer te betekenen." "Marie blijkt voor de oppervlakkige zaken; de koning heeft haar nodig om te leven", concludeert Esther. "Marguérite heeft hij nodig om te sterven", vult Marijn aan. "De vraag is of hij zijn leven lang al niet in een desillusie heeft geleefd."
Over desillusies gesproken. Een van de cruciale scènes voor Twan: "Tegen het einde van het stuk zingt Marie op haar gevoeligst een lied voor de aftakelende koning, maar al snel blijkt dat ze dit toch vooral voor het publiek doet. Ook Marie verlangt naar roem. Ze gaat zo op in zichzelf en in haar droom van succes dat ze de koning vergeet. Voor haar is de koning hét middel naar de spotlights." Een lied zingen en daarmee op de televisie komen: de ultieme meisjesdroom anno nu.
Marijn en Esther wijzen erop hoe vreemd het eigenlijk is dat juist nu er geen universele waarden meer zijn de aanmoediging om iets van je leven te maken des te dwingender wordt. "Een moraal van het verhaal is er niet meer. Je moet zelf nadenken, keuzes maken. En als je het niet allemaal voor elkaar hebt gekregen, heb je 't zelf gedaan, heb je 't aan jezelf te danken. In die zin leven we juist in een dwingende morele tijd. In de talloze debatten hierover gaan we helaas zelden de diepte in."
Desondanks zijn we best goed bezig vindt Twan. Om zich heen ziet hij veel mensen die zich zeker niet alleen om zichzelf en materiële zaken bekommeren. "Er wordt nagedacht over ethische aangelegenheden, over het milieu, over hoe we met elkaar omgaan... Nadat in de jaren ’60 alles in de war werd geschopt heeft het even geduurd maar gloort er nu toch weer iets als verantwoordelijkheidsgevoel. Ook lijkt het erop dat mijn generatie ophoudt met zeuren over hoe zwaar het is om steeds keuzes te moeten maken." Toch is een geëngageerd stuk maken niet zijn plan. Het is meer dan dat.
"Volgens mij is er een verkeerd idee ontstaan van wat succes is", zegt hij. "Prestige en winnen is waar we de waarde van het leven aan af meten. Maar uiteindelijk takelt iedereen af en verliezen we allemaal. Ik hoop op meer mededogen voor hen die niet als winnaars leven." Veel waardering heeft Twan dan ook voor de bewerking die Roel Adam van de tekst van Ionesco maakte. Hierin brengt hij de personages van de huishoudster, de dokter en de wacht terug tot één butler. "Als samenvattende kwaliteit is deze butler tevreden met zijn plek in de schaduw. Naast zijn vermogen om dienstbaar te zijn en zich te schikken, steekt de geldingsdrang van de koning en zijn twee vrouwen nog schriller af."
'Leven is het inzien van je eigen sterfelijkheid’ is de wijze gedachte die de filosofie ons meegeeft. "De sterfelijkheid maakt dat je beseft dat je leeft", concluderen Esther en Marijn. "Daar gaat het stuk ook over, over de vraag hoe je 'vol' kunt leven", zegt Twan. Waarop hij de koning citeert: 'Heb je je wel gerealiseerd dat je iedere dag wakker wordt? Iedere dag wakker worden. Je komt iedere ochtend ter wereld.' Twan: "Wat ik wil bereiken is dat het publiek in de zaal even het 'nu' voelt, dat het even stil staat bij wat een wonder het leven is, met tegelijkertijd het angstaanjagende besef dat het ooit ophoudt."
Dit artikel verscheen eerder in Huisvlijt #18 - Duidt in het zakje
Zwijgen en voelen. Een kerstverhaal.
De kerstboom was een initiatief van mijn vriendin. Zelf ben ik niet zo’n initiatiefnemer. Toch niet als het over kerstbomen gaat.
Alle bomen op jouwboom.be hadden een naam en waren al versierd met ballen en slingers en lichtjes, het enige wat je nog hoefde te doen was de pakjes eronder leggen. Als je zelfs dat nog te veel moeite vond kon je kiezen voor een boom die ‘Het mooiste meisje van de klas’ heette: in de plaats van ballen hingen er cadeautjes aan, middels haakjes die zwetende pubers voorstelden.
Ik wees de ‘Mission: Impossible’ aan, een boom die zichzelf vijf seconden na Kerstmis vernietigde, maar mijn vriendin koos voor ‘De anorectische vriendin van het mooiste meisje van de klas’. Tijdens de kerstdagen beleefde haar mededogen een piekperiode.
De boom zou aan huis worden geleverd. Tussen de bestelling en de levering pakte mijn vriendin haar biezen. "Dit is alweer een druppel in een emmer die allang overloopt," sprak ze terwijl ze haar kleren met hanger en al in een koffer propte.
"Ik zal een nieuwe emmer onder de anorectische vriendin zetten," zei ik.
Haar mededogen moest haar even in de steek hebben gelaten, want terwijl ik een slok nam sloeg ze met een houten hanger het flesje bier uit mijn hand.
Ik lag met een flesje bier op de sofa toen er aan de deur werd gebeld.
Na het vertrek van mijn vriendin had ik geprobeerd de bestelling te annuleren, maar de kerstbomen van jouwboom.be stonden boven de annulering.
Aan de boom hingen geen ballen, alleen slingers die de kleur van kots hadden. Hij ruifde.
"Waar mag ik ’m zetten?," vroeg de man, een spoor van naalden op de vloer achterlatend.
"Waar je staat is goed," zei ik. Hij stond voor de tv.
"Zo ga je geen tv meer kunnen kijken."
"Ik mag niet meer kijken van de dokter. Ik raakte te veel verslingerd aan Het mooiste meisje van de klas."
De man zette de boom neer. Naalden vielen op zijn kop.
"De boom ruift," merkte ik op.
"Een boom die ruift is een boom die leeft." Hij wreef de naalden uit zijn haar.
"Ik had liever een dode boom gehad. Leven is iets voor in andere huizen. In mijn huis pakt het leven de biezen." Ik nam een slok.
De man keek naar het flesje in mijn hand.
"Wil je iets drinken?," vroeg ik.
Hij wees naar het flesje.
Zwijgend en drinkend stonden we in de woonkamer. Onder de kerstboom lagen almaar meer naalden.
"Dat doet deugd," zei de man. "Zwijgend een pint drinken.’
"Ja," zei ik.
Nu moest ik over een korting op de ruivende boom beginnen. Je moet de mensen pakken terwijl ze deugd hebben.
"Mijn vrouw en ik hebben elkaar niks meer te zeggen", sprak de man, "maar ik ben de enige van ons twee die zijn mond houdt. Onze dochter is verongelukt met een kind in haar buik, maar wat moet je zeggen? Dat je kapotgaat? Als mijn vrouw zou zwijgen zou ze misschien voelen dat ik het ook voel; nu wordt ze kwaad omdat ik niks zeg." Hij nam een slok. "Zwijgen en voelen dat de ander het ook voelt, een blik wisselen en koffie zetten, zo zou ik graag eens de dag doorbrengen."
Ik keek naar de boom die leefde in mijn huis.
TF, Aalst, vrijdag 5 november 2010
Foto Tim Foncke: Michiel Hendryck. Dit artikel verscheen eerder in Huisvlijt #17 - De Gift.

















